Image
Voorwoord

Veel mensen hebben een bepaald object om te verzamelen. Zo ben ik als geboren “Emmer-Compascumer” al jaren bezig met het verzamelen van oude ansichtkaarten van Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen.

Op deze manier leer je, je eigen dorp beter kennen hoe het vroeger is geweest. Soms denk je wel eens, vroeger was het mooier.

Als je ziet dat de tram door Emmer-Compascuum reed, waar je mee kon reizen richting Ter-Apel of Klazienaveen. De kanalen waren nog open voor scheepvaart. Alle aardappelen en bieten werden vroeger met schepen door deze kanalen vervoerd en natuurlijk turf niet te vergeten. Helaas is dit vergane glorie.

Op een gegeven ogenblik stel je de vraag, wat doe ik nu met een verzameling. Door een boekwerkje uit te geven kan jong en oud toch nog weer iets ophalen van vervlogen tijden
 
Het ontstaan van veen. 

Image
  
De laagte tussen de Hondsrug en het Pleistoceen van Groningen vormde het bassin voor het gigantische vencomplex van het Boertangermoor. Zij is een restant van een smeltwaterdal dat in de laatste fase van het Salien werd gevormd toen het landijs in Oost-Groningen tot stilstand kwam Langs de tijdelijke gestagneerde landijsfront werden enorme hoeveelheden smeltwater afgevoerd, waardoor een breed en diep dal werd uitgeschuurd.

Tussen Emmerschans en Emmer-Compascuum bereikte dit oerstroomdal van de Hunze een breedte van zes kilometer en een diepte van twintig meter. Later werd het dal weer gedeeltelijk opgevuld met smeltwatersedimenten en rivierzanden van de omgelegde Ems. Gedurende de laatste ijstijd veranderde de inmiddels dichtgeslibde dalvlakte in een poolwoestijn waarin door felle sneeuwstormen dekzanden werden afgezet. Zo ontstond er na het Weichselien een dal­vlakte met lage dekzandruggen en kommen.

De geringe noord-westhelling en het grillige patroon van de dekzand-ruggen en koppen veroorzaakten een slechte afwatering. Toen om­streeks 10.000 v. Chr. een klimaatverbetering inzette en de grondwaterstand geleidelijk steeg, vormde de dalvlakte een gunstig milieu voor veen vorming.

In Zuidoost-Drenthe beïnvloedde aanvankelijk het plaatselijke aanwezige reliëf de veen vorming in de Hunzelaagte. Omstreeks 4500 v. Chr. bereikte de grondwaterstand zijn hoogste peil en breidde de veen vorming zich uit over een groter gebied. Op het moerasgebied ging tijdelijk een dennenbos groeien waarvan de stobben bij de latere verveningen als kienhout werden aangetroffen. Pas na 3100 v.Chr. kreeg de eigenlijke hoogveenvorming de overhand en ging zich geleidelijk ook over de hoge delen in de Hunze laagte verspreiden. Het moeras en bosvenen werden bedekt met een dikke laag veenmossen, die in staat zijn om het regenwater vast te houden. Op die wijze vormde het veen een eigen waterspiegel en kon zich onafhankelijk van het grondwater verder ontwikkelen. Met een groeisnelheid van 15 cm. per eeuw ontstond er zo in de loop der tijd een metersdik veen pakket dat in Zuidoost-Drenthe op verscheidene plaatsen een dikte van meer dan 10 meter kon meten.

Door de hoge watergehalte van 80 a 90% was het hoogveen in zijn natuurlijke staat
onbegaan­baar.

Het reliëf kenmerkte zich door veen bulten van 5 a 10 meter, van elkaar gescheiden door slenken, die het water afvoerden naar de meerstallen en veen beekjes. De Runde nam het noordelijke deel voor zijn rekening Deze laatste ontsprong in het Zwarte Meer, dat evenals het Barger Meer was ontstaan in de lagere randzones tussen grote gewelfde hoogveen complexen.

Men veronderstelt dat het veen tot in de middeleeuwen zijn natuurlijke staat behield. In de late middeleeuwen ging dit geleidelijk veranderen toen de Nederzettingen Schoonebeek en Roswinkel langs het hoogveen werden gesticht. Het licht voor de hand dat vanuit deze rand­veenontginningen de exploitatie van het veen is begonnen.

Maar ook van de Hondsrug dorpen nam in deze tijd de exploitatie steeds grotere vormen aan. Aanvankelijk werden vooral de beter ontwaterde delen langs de veen beken en meren benut als vee weide. Deze periode wordt gekenmerkt door talrijke conflicten tussen naburige marken die elkaar hun weiderechten in het veen betwistten.  

Kanalen graven en bevaren.  

Image
In het Noordoosten van de gemeente Emmen lag Emmer-Compascuum. De markegenoten van Emmen en Westenesch verkochten dit gebied in 1874 aan de NV “Het Emmer-Compascuum”.

Met deze Veen eigenaren sloot ook de stad Groningen in 1875 een contract. Groningen legde in de jaren 1878/1880 een kanaal aan door het zogenaamde”Schwartenberger veen” tot in het Emmer-Compascuum. Ook hier gold dat de verlenging van het kanaal een zaak was van de eigenaar. Eerst werd het kanaal in zuidwestelijke richting doorgetrokken. Vervolgens groef men in zuidelijke richting twee evenwijdige hoofdkanalen, het Ooster en Westerdiep Vanuit beide kanalen werden in oostelijke en westelijke richting dwars wijken aangelegd.

Ook het Emmer-Erfscheidenveen kreeg een verbinding met Groningen. Daartoe werd het verbindingskanaal tussen het Ooster en Westerdiep in westelijke richting doorgetrokken. Dit werd Hoofdkanaal B genoemd. In het Emmer-Erfscheidenveen werd parallel aan Hoofdkanaal B een tweede waterweg, Hoofdkanaal A, aangelegd.

De eerste verbinding tussen het op Groningen gerichte kanalenstelsel en de Verlengde Hoogeveense Vaart kwam tot stand via het Scholtenskanaal.

ln Emmer-Compascuum had men het dubbel kanaalsysteem. Er werden twee kanalen op 200 meter van elkaar gegraven met van daaruit aan weerszijden de wijken. Deze kanalen waren op gezette afstanden verbonden door middel van een dwars kanaal. In de “vooraffen”, tussen de hoofdkanalen, konden zich de middenstand en de arbeiders vestigen, zonder dat het ten koste ging van de voor de landbouw bestemde grond.

De boeren vestigden zich na de vervening tussen de wijken. Voordelen van dit uit Groningen afkomstige systeem was dat er meer ruimte overbleef voor de landbouw, en dat men het aantal bruggen beperkte.

Zeer nauw verbonden met de turfgraverij en het graven van kanalen was natuurlijk de turf­schipperij. Deze was een wezenlijk onderdeel geweest van de verveningen. Volgens Holthe tot Echten zouden per hectare afgegraven veen specie zeker 120 turfschippers werk hebben. In 1894 zouden zeker 600 turfschippers werk hebben met het transport van de turf uit Zuidoost­Drenthe.

Het turftransport kende zijn eigen problemen. Zo maakten de hoge kanaalrechten de transport­kosten hoog; wilde men die binnen de perken houden, dan moest er met een grote deklast gevaren worden, die extra laadkosten met zich mee bracht.

De fabrieksturf werd in het algemeen vervoerd door de “stookschippers”, die voor eigen rekening voeren. Zij kochten de turf bij de verveners en verkochten deze weer aan de fabrieken. Zij kregen slechts betaald voor de turf naar gelang het aantal uren dat de stoommachines op deze turf gedraaid hadden. Zodoende waren de stookschippers gedwongen om een goede kwaliteit turf te leveren.

Het grootste probleem waren de vele tol, sluis, brug en afvaartgelden, die de transportkosten omhoog joegen. Voor een turfvaart van Hindeloopen naar Drenthe was in de jaren twintig voor de heen en terugreis aan tolgelden F 35.00 nodig.  

Het veen als product.    

 Image
   
Turf is een natuurproduct. Vandaar dat er vele soorten en kwaliteiten bestonden, bepaald door de planten waaruit de turf is samengesteld, de compactheid en de mate van vergaanheid.
Elk soort had zijn eigen gebruiksdoel.

Men kan turf in vier hoofdsoorten onderscheiden: bolsterturf, fabrieksturf, huishoudtul f persturf, een mengvorm die men in de jaren twintig vond.   
   
Bolsterturf  

De bovenste laag van het hoogveen is de bonkaarde. Volgens voorschrift van Gedeputeerde Staten van Drenthe uit ] 900 moest van deze laag zeker 50 cm weer op de afgegraven grond gebracht worden. Met behulp van (kunst)mest kon deze grond aangemaakt worden tot land­bouwgrond. Als er niet voldoende bonkaarde aanwezig was moest dit aangevuld worden met het eronder gelegen grauwveen, hetgeen meestal noodzakelijk was.

Van het grauwveen werden de grote bolsterturven gestoken, de grondstof voor turfstrooisel. Oorspronkelijk werd het vooral gebruikt in paarde stallen.  

Fabrieksturf   

Image
  
Fabrieksturf, een groot formaat turf, werd van blauw of zwart veen, de laag onder de bolster gestoken. Deze veenlaag werd vrijwel in het gehele veengebied van Zuidoost-Drenthe gevonden. Dit hoogveen werd gestoken, gedroogd op het zetveld en vervolgens opgestapeld in bulten. De rekeneenheid van deze turf was het “dagwerk”: de hoeveelheid turf die een ploeg van zes mensen in een dag kon produceren.

Men rekende zo’n 10.000 a 13.000 stuks in een dag werk. Belangrijke afnemers waren fabrieken met stoommachines, zoals aardappelmeel en strokartonfabrieken.
Ook steenbakkerijen en broodbakkerijen waren belangrijke afnemers.

Huishoudturf  

Image

De huisbrandturf of de baggerturf is een kleine compacte turf die voor het koken en de verwarming van huizen werd gebruikt. Hij werd gemaakt van laagveen, dat wil zeggen van veen dat onder water is ontstaan. In Zuidoost-Drenthe werd dit veen als dargveen de onderste laag van het veen in Emmer-Compascuum en Nieuw-Weerdinge gevonden.

Dit laagveen is later door het hoogveen overgroeid. Voordat het dargveen afgegraven kon worden moest dus eerst de laag hoogveen erboven verwijderd worden. Het dargveen werd afgegraven? vervolgens met water in een grote bak gemengd, gedroogd, aangestampt, gedroogd enz., en dan in stukken gesneden.

Daarna werd het gebroken en verder gedroogd op een zetveld. Dit procédé heeft men al vroeg kunnen mechaniseren, in eerste instantie het mengen. Dit leverde met behulp van de stoombaggerturfmachine, de machinale turf op.   
 
Image

De rekeneenheid voor de huisbrandturf was de stobbe, die 7.000 a 8000 stuks bevatte. Van de machinale turf gingen er 10.000 in een stobbe.

Persturf

Deze was vaak een mengsel van verschillende soorten veen. Het veen werd in een trechter geworpen en vervolgens door een stoomlocomobiel zonder toevoeging van water gemengd en geperst. Dit productieproces was uiteindelijk geheel en al gemechaniseerd.

Zelfs het op het zetveld brengen van de turven om daar te drogen werd mechanisch gedaan. Zo kon op arbeidskosten worden bespaard. De concurrentie van de steenkool noodzaakte tot zulke bezuinigingen. Deze turf was zowel geschikt voor huisbrand als voor industrieel gebruik, maar werd voornamelijk afgezet aan de industrie. 
 
De verveners

De veenarbeiders en hun werk.

De veenarbeiders kon men onderverdelen in twee groepen. Ten eerste die van de “vaste” arbeiders en hun gezinnen. Deze mensen hadden zich blijvend in de gemeente gevestigd, waren voor langere tijd bij een vervener en waren de meer ervaren arbeiders.

De tweede groep is die van de grote massa van seizoenarbeiders, die slechts gedurende het graafseizoen werk hadden. De vaste veenarbeiders woonden in de regel in een huisje van hun vervener.

Er kan onder­scheid gemaakt worden tussen respectievelijk turfmakers en turfgravers.
Naast de turfmakers en turfgravers zijn er nog de lieden die bij het droogmaken en het verschepen betrokken waren. Dit waren kruiers, de droogmaaksters, de vulsters, de loeugsters en de stougsters. Afgezien van de kruiers waren dit vrouwen en kinderen.

Image  
 
Het graafseizoen voor fabrieksturf begon omstreeks half maart. Eerder beginnen bracht het gevaar van nachtvorst met zich mee die de reeds gestoken turf zou kunnen aantasten. Deze aangetaste turf, de smoezen, hadden vrijwel geen waarde meer.

Het graafseizoen duurde, afhankelijk van het weer en de vraag naar turf, een twaalftal weken. Half juni was het in de regel afgelopen. Velen, dat wil zeggen de seizoenarbeiders, moesten dan elders werk gaan zoeken. Hun gezinnen konden meestal nog wel werk krijgen bij het droogmaken en het sche­pen laden.

De gedwongen winkelllering

Verbonden met de zwakke positie van de veenarbeider was de gedwongen winkelnering. Dit hield in dat de arbeiders niet uitbetaald kregen, doch slechts tegoedbonnen ontvingen waarvoor zij in de winkel van de vervener of veenbaas goederen konden krijgen. Aan het einde van het jaar werd het totaal verrekend.

Voor de vervener-winkeliers waren niet de inkomsten uit de turf het hoofdmiddel van bestaan maar die uit de winkel. Zowel de arbeiders als de winkeliers leefden op krediet, de laatsten
poften bij hun grossiers. Volgens de evangelist W.Jonker te Emmen stond 90% der arbeiders in het krijt bij hun werkgever. De winkelier-verveners behoefden zodoende geen grote investeringen te doen om tot vervener over te gaan.

Het systeem van gedwongen winkelnering bracht met zich mee dat aan het einde van het jaar alles afgerekend moest zijn. Daardoor waren winkeliers-verveners soms gedwongen om hun turven tegen lagere prijzen te verkopen. Zij bedierven dan de markt voor de anderen.
Als de arbeiders meer gekocht hadden dan zij bij hun vervener verdiend hadden, kon men erop rekenen dat de vervener-winkelier volgend jaar wel weer werk voor hen had. Dit systeem bond de arbeider aan zijn werkgever.

Van de groot verveners wordt gemeld dat deze zich niet schuldig maakten aan de gedwongen winkelnering. In 1906 werd de gedwongen winkelnering afgeschaft. Dat deze echter een hardnekkig leven leidde? blijkt wel uit het rapport over de gedwongen winkelnering uit 1910. In feite maakten pas de Eerste Wereldoorlog en de turfcrisis van 1920 er definitief een einde aan.

Veenbranden. 

Image
 
De gewoonte in Drenthe het veen af te branden voor de verbouw van boekweit begon aan het eind van de negentiende eeuw vooral in de gemeente Emmen gevaar op te leveren, omdat het veen deels afgegraven was. Om de grond voor het zaaien van boekweit geschikt te maken werd de bovenste laag van het veen bij een gunstige wind in brand gestoken, waardoor een vruchtbare laag ontstond.

Het is logisch dat bij langdurige droogte de kans bestond dat er een groter gebied afbrandde dan de bedoeling was. In het voorjaar van 1870 verbrandden hierdoor enkele akkers met veldvruchten, enige bunders uitgezaaide boekweit, enige hopen te veld staande turf en enkele woningen.

Blusmiddelen waren toen nog niet voorhanden. Pas in 1906 ging de gemeente over tot de aanschaf van “grote” brandspuiten. Deze werden in diverse plaatsen geplaatst, zo ook in Emmer-Compascuum. In 1880 zocht de gemeente eerst een goedkopere oplossing door vier onbezoldigde dienaren van politie aan te stellen om toezicht te houden op het vuur in de venen. In Munsterscheveld werd Willem Velema, veenbaas aldaar aangesteld als dienaar.

Image  
 
Een grote veenbrand uit het begin van de twintigste eeuw was die van mei 1917, in een zeer droge zomer. Vrijwel geheel Zuidoost-Drenthe raakte bij de brand betrokken. Ook Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen leden er onder. De oorzaak van de brand kon niet worden achterhaald.

Mogelijk was het een koffievuurtje van enkele veenarbeiders, dat niet voldoende gedoofd was. Het verraderlijke van een veenbrand is dat deze ondergronds verder smeult en op onverwachte plaatsen weer naar de oppervlakte kan komen.

Dit gebeurde ook in 1917. Het vuur wakkerde steeds weer aan en werd dan verspreid door de wind. Kanalen en wijken hielden de brand niet tegen, bruggen brandden tot op het water af, het vuur sprong over het water als er geen andere “overstap” was en joeg de mensen het veen in. Na de brand werden zestien slachtoffers gevonden, waaronder een schipper net vrouw en zes kinderen.

Hij dacht dat zijn ijzeren schip voor het vuur onverteerbaar zou zijn, maar had geen rekening gehouden met de turf, waarmee het schip volgeladen was. Het hele gezin werd levend geroosterd.
 
Einde van het veen

In het begin van de Tweede Wereldoorlog was er nog een kleine opleving in de turf produktie, maar daarna viel de afzet weer weg. De teruglopende afzet van Turf had te maken met veranderende maatschappelijke omstandigheden. Nieuwe brandstoffen zoals gas waren langzamerhand ook in de huishoudens ingevoerd.

Bovendien was er in de modernere woningen niet voldoende opslagruimte voor turf. Voorts viel een aantal winningsgebieden weg en verdwenen ook de turfschippers, die de handel beheersten. Met het wegvallen van de turfschipper was het onmogelijk nog langer huisbrandturf te verkrijgen. Men moest op andere brandstoffen overgaan.
 
Emmer-Compascuum   

Image
 
In Emmer-Compascuum stond in 1879 nog slechts een tiental veen keten, waarin de eerste pioniers zich hadden gevestigd. Uit een volkstelling van 1889 waren er 267 mannen en 288 vrouwen ingeschreven. Samen woonden deze mensen in 107 woningen.

In 1909 telde men in Emmer-Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen gezamelijk 3716 inwoners. De Eerste Wereldoorlog was een periode van bloei in het veen. Over een tijdvak van elf jaar, tussen 1909 en 1920, valt er een verdubbeling van bevolkingsaantallen te constateren. Deze uitbreiding kwam vooral doordat op andere plaatsen het veen al was weg gegraven.

De “immigranten” kwamen uit friesland, Groningen, Overijssel, maar ook uit Duitsland om hier in het veen te werken. Ook was er nu de landbouw op die plaatsen waar het veen was afgegra­ven. Vele van de voormalige veen boeren werden arbeider.

Na de oorlog kwam een groot bedrijf in Emmer-Compascuum, de AKU. Menig veen en boerenarbeider ging werken bij dit bedrijf.  

Image
 
Nu in 2001 is Emmer-Compascuum een zeer modern dorp met moderne winkels en industrie.  

Image

 

 

 

 

 

 

Omdat Emmer-Compascuum eigenlijk groot is geworden door de vervening heb ik dit onderwerp “veen” willen gebruiken.

Mijn dank gaat uit naar de Gemeente Emmen voor gebruikmaking als bronvermelding het boek; "Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe" diverse mensen voor het beschikbaar stellen van de foto's en www.emmer-compascuum.com voor het digitaal plaatsen van een stukje geschiedenis .

Dit bestand is door de auteur geplaatst : Dhr. J.Olijve.

Het is leuk vertoeven in Emmer-Compascuum 


 

Copyright © 2015. All Rights Reserved.